Inzetten op Esperanto
(Uitgesproken
voor UNESCO op 16 december 1986 ter gelegenheid van
de honderdste verjaardag van het verschijnen van Esperanto
in de wereld. De toespraak schetst de geschiedenis
van deze internationale taal)
By Claude Piron,
ancien
traducteur à l'ONU et à l'OMS, sychothérapeute,
ex-enseignant chargé de cours à l'Université
de Genève entre 1973 et 1994 (psychologie et
sciences de l'Education),
Suisse
c.piron[at]bluewin.ch
http://claudepiron.free.fr/
Get the List of 4,400+ Translation Agencies Now! No Recurring Membership Fees!
See also other languages' versions
Het startpunt
Alles
begint in de jaren 1870. Bialystok is dan een viertalige
stad: men spreekt er Pools, Jiddisch, Russisch en
Duits. In dit grote dorp, dat deel uitmaakt van het
keizerrijk van de tsaren wordt een jongen pijnlijk
psychologisch getroffen als gekruisigd tussen vier
gemeenschappen, vier geloven, vier talen, vier alfabetten,
vier veten. Daar, veel meer dan elders word je gecatalogeerd
gewoon door je uit te drukken. Ofwel stel je je bloot
aan minachting, ofwel verzeker je je van medeplichtigheid.
Elke gebeurtenis speelt zich af op een achtergrond
van op de spits gedreven etnisch-culturele identiteiten.
Als een Pool een administratief probleem te regelen
heeft is het ondenkbaar dat de Russische ambtenaar
de taal van zijn aanspreker gebruikt, maar is het
met de dood in de ziel en wraaklust in het hart dat
de Pool zijn vraag brabbelt in het Russisch.
Rilke
heeft ooit gezegd dat een schrijver schrijft omdat
hij het niet kan laten. De jonge Zamenhof heeft de
grondslagen van het Esperanto gelegd om dezelfde reden:
hij kon niet anders dan het doen. In Bialystok werden
de culturele identiteiten beleefd als wederzijds agressief.
Welnu, de eerste uiting ervan was de taal, en het
accent. In die context is de taal van de andere gebruiken
niet alleen haar een meerwaardigheid toekennen, waartegen
de eigenliefde in opstand komt, het is ook zichzelf
een eindeloze reeks grammaticale, lexicale en fonetische
acrobatieën opleggen, het is een terrein doorlopen,
dat bezaaid is met valstrikken, die daar net lijken
gelegd te zijn om je belachelijk en minderwaardig
te maken.
Dat
klimaat van vijandigheid en vernedering bezorgt de
gevoelige en hoogbegaafde jonge Zamenhof een trauma.
De toestand is ondraaglijk. Er moet iets gebeuren
opdat iedereen, terwijl hij toch zijn eigen cultuur
bewaart, zou kunnen communiceren met anderen zonder
deze socio-culturele identiteitstrauma's, die de inslag
vormen van het dagelijkse leven in Bialystok.
Daarvoor
is een taal nodig die aan geen enkel volk hoort en
waarvan de structuren de natuurlijke beweging van
de taaluitdrukking volgen, een taal waarin men geen
acrobatie moet doen, een taal die toegankelijk is
voor de kleinen, de onaanzienlijken, de gewone mensen.
Met het naïeve geloof van zijn jeugd zet de jongeman
zich aan het werk, koppelt de onverbiddelijke logica
van de kindertijd, die nog zo dicht bij ligt, aan
de methode van de kunstenaar, die schoonheid nastreeft
en zijn kunstwerk steeds weer polijst en herpolijst.
Hoeveel
kans op slagen heeft hij? Laat ons redeneren, als
u dat wil, zoals bij een weddenschap. Zou u ingezet
hebben op het werk van een jongen van 17-18 jaar,
verloren in een provinciestadje van het platteland,
die zich ingespannen had voor een taak boven zijn
macht: de aanzet geven aan een nieuwe taal?
Een geschiedenis van beproevingen.
Laat
ons deze geschiedenis stap voor stap hernemen. De
vader van de jonge man zendt hem ver weg om te gaan
studeren en doet hem beloven te stoppen met zijn taalspelletjes.
Is het niet realistisch te voorzien dat de jongen
de dwaasheid van zijn project gaat inzien? In feite
gaat hij er mee door. Als hij 27 is beslist hij de
vrucht van zijn werk te publiceren. Hij loopt alle
uitgevers af. Maar die mensen zijn niet gek: niemand
moet er van weten. Hij zal dus op eigen kosten een
klein, onaanzienlijk brochuurtje laten drukken, want
hij heeft nauwelijks geld. Hoe hoog liggen zijn kansen
om die te verspreiden, zonder toegang tot een net
van boekenwinkels? Zou u op dat ogenblik ingezet hebben
op hem, op een volstrekt onbekende?
Het
project krijgt toch enkele aanhangers, vooral in het
Russische keizerrijk. Een tijdschrift komt te verschijnen
in dit beginsel van taal. Tolstoi, enthousiast gemaakt,
begint er in te schrijven. Maar hij valt in ongenade
en de tsaristische censuur verbiedt die publicatie,
het enige bindmiddel tussen de eerste gebruikers.
Als u dat nieuws zou opgevangen hebben, zou u er dan
op wedden dat geleidelijk een levende taal zal ontstaan
uit een project dat zo slecht gestart was?
Maar
het leven is niet logisch. In de vijf werelddelen
ontdekken mensen die taal en beginnen ze te leren.
De taalkundigen steken er de draak mee: elke spreker,
zeggen ze, zal slachtoffer zijn van zijn fonetische,
grammaticale en semantische gewoonten. Die mensen
zullen elkaar niet verstaan. Op wie wedt u op dat
ogenblik? Op de jonge amateur, of op de unanieme specialisten?
Zeker,
op het eerste congres, dat gehouden wordt in Boulogne-sur-Mer
in 1905, verstaan de taalgebruikers elkaar perfect,
maar waarom zou men een kleine groep fantasten ernstig
nemen? Voor het oog van de Parijse salons, die in
die tijd de toon aangeven aan iedereen en over alles
is de taal niet gemaakt om aantrekkelijk te zijn.
Ze zit vol k's en j's, en medeklinkers voorzien van
belachelijke circonflexes. Ze geeft een indruk van
vreemdheid en barbaarsheid. Heel de intelligentsia
van de wereld, of toch bijna, verwerpt ze. Het gemis
aan realiteitszin van de auteur blijkt overigens uit
de domme keuze van medeklinkers met een circonflexe,
die in geen enkele drukkerij voorhanden zijn, met
als gevolg dat, als men iets in die taal wil publiceren,
men moet beginnen met nieuwe drukletters te laten
gieten. Kom, zeg, een beetje gezond verstand! Wie
wedt, als was het maar op het overleven van die taal,
gooit zijn geld door het venster.
De
oorlog van 1914 breekt uit. Zamenhof overlijdt. Dames
en Heren, wil uw inzet doen... Wie wil inzetten op
die wezentaal, symbool van relaties onder gelijken
in een wereld die geschud wordt door de wet van de
sterkste?
We
komen in de jaren 20. In de Volkerenbond stelt de
Iraanse delegatie voor Esperanto aan te nemen voor
de internationale betrekkingen. Algemene verbijstering!
En gevechtstelling bij de grote mogendheden. Dit
project moet begraven worden, gevaarlijk voor onze
culturele suprematie!. Die staten hebben invloed
en ze zijn rijk, hun afgevaardigden deinzen niet terug
voor de ergste kwade trouw. Eens te meer wordt het
project belachelijk gemaakt en aan de kant geschoven.
Eerlijk gezegd, is het daarop dat u zou gewed hebben?
Nu
krijgen we de opkomst van Stalin en Hitler. Voor Hitler
is Esperanto de taal van de samenzwering van Joden
en Vrijmetselaars, voor Stalin is het die van het
kosmopolitisme van de bourgeoisie. In de jaren 40
hebben deze twee mensen de macht over bijna het hele
Europese vasteland. Esperanto wordt verboden, de voorraad
boeken wordt vernietigd, veel van zijn voorstanders
worden opgesloten in de concentratiekampen. In Japan,
in China, in Spanje, in Portugal passen de regimes
die aan de macht zijn tegenover Esperanto een minder
gewelddadige politiek toe, maar die toch in dezelfde
zin wijst. Op welke andere afloop zou u in die periode
redelijkerwijze wedden, tenzij op het nabije einde
van Esperanto?
Het
einde van de tweede wereldoorlog ziet de opkomst van
de simultaanvertaling. Die lost schijnbaar het communicatieprobleem
in de congressen en conferenties op, maar in feite
vermomt ze slecht een evolutie die aan het Engels
een onbetwiste suprematie verleent. Het is beslist
voor allen dat het Engels naar het monopolie streeft
voor de internationale betrekkingen. Het is de taal
van de persagentschapen, de multinationals, de wetenschappelijke
edities zowel als van de chansons, waarop de jeugd
in de hele wereld danst, gekleed op zijn Amerikaans.
De huidige toestand
Tegenover
Goliath is Esperanto een David, klein, zo goed als
onzichtbaar. Als men er zijn rivalen naast ziet, welke
redelijke mens gaat daar nu nog op wedden? Hoe inzetten
op een taal die door geen enkele grote sociale beweging
gesteund wordt, waar de geldmachten niet van weten,
waar de media het zwijgen over doen, die door de intelligentsia
afgekamd wordt of doodgeboren verklaard? Overvloedig
aangevallen gedurende heel zijn geschiedenis, zowel
op politiek als op ideologisch vlak, heeft het geen
enkele medestander, geen enkele hulp van buitenaf.
Op lange termijn waar het beeld de baas is, heeft
het de middelen niet om publiciteit te maken. Om zich
uit te breiden bezit het alleen maar zijn intrinsieke
kwaliteiten.
En toch, als men zich baseert op objectieve criteria,
zoals de productie van boeken, de deelname aan internationale
vergaderingen, de geografische oppervlakte, gedekt
door de kleine aankondigingen van de Esperantopers,
het aantal manifestaties, de regelmatige uitzendingen
in de radio, het aantal plaatsen waar de taal van
Zamenhof vertegenwoordigd is, enz.., bemerkt men dat
met hoogten en laagten, die de wisselvalligheden van
het politieke en economische leven volgen, Esperanto
nooit opgehouden heeft zich te verbreiden en dat,
vooral sedert een tiental jaren, zijn vooruitgang
een opmerkelijke versnelling kent.
Waar
dertig universiteiten Esperanto onderwezen in 1976
telt men er dit jaar 125, wat neerkomt op een verviervoudiging
in tien jaar tijd. Esperanto dient als voertaal voor
een aanzienlijke literaire productie, die zich steeds
verder ontwikkelt. Het is in de wereld de taal, waarin
men het grootste aantal chansons vertaalt. Het wordt
elke dag in de radio gesproken in landen, die zo verschillend
zijn als China en Polen. Het is het dagelijkse communicatiemiddel
van talrijke binationale koppels. Het is de moedertaal
van een zeker aantal kinderen. En, zoals de objectieve
studie van de verhouding doeltreffendheid/ kost toont,
heeft het in de interculturele communicatie heel duidelijk
de overhand op Engels of beroep doen op vertaling
en simultane vertolking.
Als
u dat kleine brochuurtje van Zamenhof zou in handen
gehouden hebben in 1887, zou u zich dan hebben ingebeeld
dat een kleine eeuw later, het uitgebreidste internationale
congres van de hele Chinese geschiedenis in Peking
zich zou afspelen in deze taal, waarvan u de heel
nieuwe kiem toen voor ogen hield? Zou u toen gewed
hebben dat er in 1986 geen enkele dag zou voorbijgaan,
dat niet ergens in de wereld een conferentie, een
congres, een internationale ontmoeting zou gehouden
worden in Esperanto? Dat is nochtans de werkelijkheid.
De rol van de individuele affectie
Deze
tweespalt tussen verstandige weddenschappen en de
verifieerbare realiteit zou bij ons vragen moeten
opwerpen. In feite vertrekken al die negatieve beoordelingen
vanuit een zelfde fout: men laat na de realiteit te
verifiëren, dat wil zeggen vast te stellen hoe
Esperanto werkt in de praktijk door vergelijking met
de andere communicatiesystemen, die in gebruik zijn
in de interculturele situaties. Overigens overschat
men de externe druk en onderschat men de rol van de
individuele affectie in een proces van linguïstieke
uitbreiding en levenskracht.
Als
de taal van Zamenhof een grotere levenskracht vertoont
dan zekere andere talen met officieel statuut, zoals
het Gaëlisch en het Rheto-Romaans, is het omdat
het menselijk wezen graag schept, speelt, vrij is
en liefheeft.
De
structuren van Esperanto stimuleren de taalcreativiteit,
die in de andere talen bij iedereen onderdrukt wordt
vanaf de eerste stap in de school. Ze geven aan de
taal een speelse kleur die de afkeuring opwekt van
mensen, die zichzelf ernstig nemen, maar die beantwoordt
aan een belangrijke psychologische vraag, die in ons
diepste ik ankert. Door zijn grammaticale, lexicale
en stilistische soepelheid geeft Esperanto een gevoel
van vrijheid van expressie, die geen enkele taal in
dezelfde mate verleent, en dit zonder lange jaren
van studie op te leggen. En vooral laat het toe echte
en duurzame vriendschap aan te knopen over de cultuurgrenzen
heen, en beantwoordt het zo aan een affectieve nood
aan die veel dieper is dan men gewoonlijk aanneemt.
Feit
is dat in een eeuw bestaan Esperanto over de hele
oppervlakte van de aarde ontelbare vriendschapsnetten
geweven heeft tussen personen van alle sociale lagen,
van alle culturele milieus. Op dat gebied is er geen
rivaal.
Het
zou met recht neerkijken op allen die sedert een eeuw
hun weddenschappen tegen Esperanto verliezen. Maar
dat is niet zijn stijl. Het dringt zich niet op. Het
heeft er genoeg aan te bestaan en te leven. Het is
ter beschikking van wie het spel wil spelen. Discreet,
ja onzichtbaar, voor wie de voorkeur geeft aan duurdere,
onrechtvaardige en ingewikkeldere systemen. Terecht
bedroefd omdat men het zo dikwijls houdt voor wat
het niet is en omdat men nog steeds zo slecht beseft
wat het kan bijbrengen in de betrekkingen tussen de
volkeren, niet alleen aan vriendschap en gemak, maar
ook aan rechtvaardigheid en aan respect voor de ieders
taalwaardigheid.
Vertaald door Ir Leo De Cooman
|